Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.
Gabriella Guinlle Ferreira de Oliveira Santos verdedigt in november haar proefschrift over hoe de energietransitie in Europa vorm krijgt én wordt betwist. Ze onderzocht wat actoren doen als een technologie nog voor interpretatie vatbaar is; hoe ze zich een toekomst voorstellen die past bij de activa die ze al bezitten, hoe geframed wordt wat schoon of transitierelevant is, en of de op EU-niveau vastgestelde richting aansluit bij de daadwerkelijke omstandigheden ter plekke.
Gabriella Guinlle Ferreira de Oliveira Santos

Je hebt je gericht op waterstof?

‘Ja, waterstof werd juist in de jaren dat ik er onderzoek naar deed een van de belangrijkste speerpunten van het Europese industrie- en klimaatbeleid. Ik heb ook gekeken naar burgerinitiatieven die het gevestigde energiesysteem uitdagen, waarbij toegang tot participatie nog steeds afhangt van eigendom, kapitaal en sociale positie. Wat ik heb gevonden, heeft directe implicaties voor de manier waarop het Europese energie- en industriebeleid momenteel wordt vormgegeven.’

Wat waren je belangrijkste onderzoeksvragen?

‘Europa heeft zich gecommitteerd om in 2050 klimaatneutraal te zijn, en waterstof wordt gepromoot als een belangrijke oplossing. Maar wat waterstof is, wat het kan doen en voor wie het bedoeld is, zijn geen technische feiten; dat wordt actief beslist, bediscussieerd en soms opzettelijk vaag gelaten.

In mijn onderzoek stel ik de vraag wie die beslissingen vormgeeft en wat er in dat proces stilletjes onopgelost blijft. Wanneer keuzes in de toeleveringsketen niet expliciet worden gemaakt, wanneer sleutelbegrippen als “schone waterstof” dubbelzinnig blijven, of wanneer bepaalde industrieën of gemeenschappen buiten de discussie worden gehouden, worden die leemtes opgevuld door actoren die al in bestaande systemen zijn ingebed.

Wat ik ontdekte was dat de oorspronkelijke vraag zelf opengebroken moest worden. Bedrijven spelen niet één enkele rol, noch handelen ze als één enkele entiteit.

Elk hoofdstuk onderzoekt een ander speelveld waarop die strijd zich afspeelt, van bedrijfsdocumenten tot EU-beleid tot lokale energie-initiatieven. Dit waren niet alleen onderzoeksvragen; het waren levendige politieke en industriële gevechten die zich om me heen ontvouwden terwijl ik aan het schrijven was, en dit onderzoek heeft iets te melden over hoe ze worden uitgevochten en wie er wint.’

Waarom koos je voor deze specifieke onderzoeksvraag?

‘Mijn promotor Ans Kolk stelde voor om de rol van het bedrijfsleven in de energietransitie en de daarmee gepaard gaande afwegingen te onderzoeken, en wees me op waterstof als opkomende technologie. Ik besloot dit te volgen en koos voor een fenomeen-gedreven benadering, waarbij de gegevens en de empirische context geleidelijk de onderzoeksvragen vormgaven.

Ik ben gedisciplineerd genoeg om door te zetten en bescheiden genoeg om hulp te vragen als dat nodig is. Ik denk dat die combinatie in onderzoek belangrijker is dan mensen geneigd zijn toe te geven.

Wat ik ontdekte, was dat de oorspronkelijke vraag zelf moest worden opgesplitst. Bedrijven vervullen niet één enkele rol, noch handelen ze als één enkele entiteit. Zelfs binnen hetzelfde type actor is er onenigheid. Dus “welke bedrijven doen wat onder welke voorwaarden” bleek net zo belangrijk als de oorspronkelijke vraag. Dat is de richting die ik heb gekozen.’

Gabriella Guinlle Ferreira de Oliveira Santos

Welke fase van het onderzoek vind je het interessantst?

‘Wanneer het werk dicht bij de echte wereld komt. Of dat nu het interviewen van mensen voor een van de hoofdstukken was of het bijwonen van evenementen voor praktijkmensen om te begrijpen hoe er buiten de academische wereld daadwerkelijk over waterstof wordt gesproken, dat zijn de momenten waarop de stukjes in elkaar beginnen te vallen.

Dat is ook wat ik hoop dat het onderzoek oplevert: niet alleen een academische bijdrage, maar iets nuttigs voor de mensen en organisaties die daadwerkelijk deze transitie doormaken.

Het is geen perfect werk, maar het is eerlijk. Het laat de wegen zien die ik heb bewandeld om hier te komen. En nu voel ik me klaar om dat proces te verdedigen.

Nu zit ik in de laatste fase en wacht ik op mijn verdediging, gepland voor november 2026. De laatste taak was het samenbrengen van de hoofdstukken tot een samenhangend verhaal in de inleiding en conclusie, wat een goede oefening bleek te zijn, omdat het me dwong een stap terug te doen en te kijken wat ik had gedaan en te proberen het “so what” te beantwoorden.’

Wat is het meest uitdagende aspect van deze fase?

‘Accepteren dat het proefschrift het resultaat is van een proces, niet een weerspiegeling van waar ik nu sta. Ik heb veel geleerd en ben van gedachten veranderd over bepaalde zaken; elk hoofdstuk is in een andere fase geschreven, in een ander tempo, voor een ander publiek. Het is geen perfect stuk, maar het is eerlijk. Het laat de wegen zien die ik heb afgelegd om hier te komen. En nu voel ik me klaar om dat proces te verdedigen.’

Met wie heb je samengewerkt?

‘Mijn begeleiders zijn Ans Kolk en Arno Kourula van de Amsterdam Business School. Ik heb samengewerkt met een collega, Maurice Wokke, aan het hoofdstuk over staal, waarin we decarbonisatieprojecten bij Europese staalproducenten analyseerden. Daarnaast heb ik de afgelopen maanden in een nevenproject met Vittoria Scalera gewerkt aan de decarbonisatie van de luchtvaart met behulp van duurzame brandstof geproduceerd uit afval (het ENLENS-project), dat chemieonderzoekers en belanghebbenden uit de industrie samenbrengt, waaronder de Haven van Amsterdam, Schiphol en brandstofproducenten.

Mijn moeder zei altijd tegen me: ‘o não você já tem, então tem que tentar’, wat ruwweg vertaald kan worden als: het enige echte nee is het niet eens proberen, want zonder te proberen weet je het antwoord al.

Onlangs ben ik als postdoc aan de Erasmus Universiteit Rotterdam gaan werken bij het Erasmus Commodity and Trade Centre, waar ik me blijf bezighouden met waterstof, nu als opkomende grondstof, met de nadruk op de potentiële internationale handelsroutes en de rol van de haven-industrieclusters Amsterdam-Rotterdam-Antwerpen in de marktontwikkeling ervan.’

Op welke karaktereigenschappen ben je het trotst? En hoe helpen ze je in je vakgebied?

‘Doorzettingsvermogen en de bereidheid om het vanuit verschillende invalshoeken te proberen, zelfs als iets niet lukt. Mijn moeder zei altijd tegen me: “o não você já tem, então tem que tentar,” wat ruwweg vertaald betekent: het enige echte nee is niet proberen, want zonder te proberen weet je het antwoord al. Dus ik vraag, probeer, faal soms en probeer het op een andere manier.

Ik ben geen expert in alles en ik denk niet dat dat is wat een doctoraat vereist. Een doctoraat vereist toewijding, zelfmotivatie, organisatievermogen en inzicht in je eigen beperkingen. Ik ben gedisciplineerd genoeg om door te zetten en bescheiden genoeg om hulp te vragen wanneer ik die nodig heb. Ik denk dat die combinatie in onderzoek belangrijker is dan mensen geneigd zijn toe te geven.’

Wat zou je de komende jaren nog graag willen leren?

‘Het doctoraat is een grappig proces: ik begon met de naïeve veronderstelling dat ik aan het einde alle antwoorden zou hebben. Wat ik nu heb, zijn meer vragen, maar ook meer zekerheid over de paden die ik moet uitstippelen, wat volgens mij vooruitgang is, ook al blijft de finishlijn verschuiven.

Het onderzoek doet er alleen toe als het de mensen bereikt die het zou moeten helpen.

Ik ben blij dat ik de kans heb gehad om samen met mensen wier werk ik oprecht bewonder, te verkennen en na te denken. Er valt nog zoveel meer te begrijpen: industriebeleid, internationale markten, geopolitiek, en de financiële en sociale aspecten van hoe energietransities daadwerkelijk plaatsvinden. Een eindeloze lijst, maar een waar ik aan wil blijven werken op manieren die me helpen nuttig te blijven in dit vakgebied.’

Wie is je grootste held in de wetenschap, en waarom?

‘Mijn grootste helden zijn mijn familieleden, geen wetenschappers. Maar als ik iemand moet noemen wiens werk ik oprecht bewonder, dan is dat Anna Gifty Opoku-Agyeman. Zij is geen wetenschapper in de traditionele zin, maar heeft het unieke vermogen om complexe ideeën te vertalen naar iets wat aanslaat bij mensen buiten de academische wereld. Dat is wat ik met mijn eigen werk wil bereiken. Onderzoek is alleen van belang als het de mensen bereikt die het zou moeten helpen.’