‘Mijn vader is goochelaar en ik heb een groot deel van mijn jeugd achter de schermen doorgebracht, waar ik rekwisieten klaarzette en voor mijn ogen illusies zag ontstaan. Door al op jonge leeftijd te zien hoe dingen worden gecreëerd en gepresenteerd, heb ik een levenslang instinct ontwikkeld om het voor de hand liggende in twijfel te trekken.’
30 januari 2026
‘Ik bestudeer hoe alledaagse technologieën onze relatie met onze omgeving beïnvloeden. De elektrische auto geeft ons bijvoorbeeld de indruk dat we genoeg hebben aan innovatie om de ecologische crisis op te lossen. In mijn onderzoek stel ik de vraag: wat zegt dit vertrouwen in technologische oplossingen ons over onze verbeelding van de toekomst? En welke mogelijkheden zien we over het hoofd als we zoveel vertrouwen stellen in machines om de problemen op te lossen die mede door die machines zijn gecreërd?’
'Transities kunnen vastlopen wanneer voorgestelde oplossingen niet aansluiten bij de verhalen waarmee we vooruitgang – of verantwoordelijkheid – begrijpen. Technologieën circuleren niet in een vacuüm; ze worden begrijpelijk door zich te hechten aan bestaande morele en culturele kaders, met het risico ze te reproduceren. Mijn doel is om de aannames aan het licht te brengen die ons sommige toekomsten vanzelfsprekend laten aanvoelen en andere ondenkbaar doen schijnen. Door beter te begrijpen hoe culturele voorstellingen bepalen wat als oplossing geldt, kunnen we alternatieven verbeelden en invoeren die méér doen dan het heden herhalen met andere middelen.'
Mijn doel is om de aannames aan het licht te brengen die ons sommige toekomsten intuïtief laten aanvoelen en andere ondenkbaar doen schijnen.
‘Ik wil laten zien dat duurzaamheid als een culturele kwestie kan worden beschouwd. Transities kunnen suboptimaal worden beheerd, omdat de voorgestelde oplossingen niet passen bij de verhalen die we vertellen over wie we zijn. Mijn doel is om de verhalen naar boven te halen die stilletjes bepalen wat als “vooruitgang” geldt en hoe technologieën een morele betekenis krijgen. Als we eenmaal de aannames zien die onze verwachtingen bepalen, kunnen we misschien zinvollere alternatieven bedenken voor het heden.’
‘Ik werk op een zeer interdisciplinaire manier met verschillende afdelingen samen, waardoor mijn onderzoek veel ruimte biedt om te schakelen tussen theorie en historische analyse. Aan de UvA werk ik samen met wetenschappers op het gebied van geschiedenis en culturele analyse, met name degenen die zich richten op milieu, duurzame consumptie, enz.
Aan de Hogeschool Rotterdam werk ik samen met zowel grote bedrijven, zoals ING, Shell en KLM, als kleinere start-ups, duurzaamheidsinitiatieven en lokale beleidsmakers. Deze samenwerkingen helpen me om te testen hoe theoretische inzichten zich vertalen naar transities in de praktijk. Vaak is de wil om te handelen aanwezig, maar wordt deze niet altijd volledig benut. Ik denk dat een grondige kennis van onze collectieve verbeelding ons kan helpen om onze interventies verder te brengen.’
Binnen het kader van de elektrische auto werk ik nu aan een hoofdstuk over de Witkar, een elektrisch deelautosysteem dat eind jaren zestig in Amsterdam werd gelanceerd. De initiatiefnemers, de Provo-beweging, waren een mediabewuste anarchistische groep die spektakel inzette om de normen van de naoorlogse consumptiemaatschappij te ontmaskeren.
Wat mij het meest fascineert, zijn de kleine details die een hele wereldvisie onthullen. Een kleine technische clausule of een procedurele beslissing kan laten zien hoe samenlevingen de verhalen beschermen die hen bijeenhouden.
Al vroeg in het debat over automobiliteit in Amsterdam had hun Wittefietsenplan uit 1965 automobiliteit gediagnosticeerd als een regime van ruimtelijk geweld. Omdat dat plan uiteindelijk werd afgewezen, probeerde de Witkar die culturele logica te heractiveren—maar ditmaal herschikt om binnen de logica van de automobiliteit zelf te functioneren. De Witkar was ontworpen door voormalig Provo-activist Luud Schimmelpenninck. Hij vormde de auto om tot een traag en bewust onaantrekkelijk apparaat—wat de ontwerpers een “kwetsbare schil” noemden, en omstanders “een rijdende telefooncel.'
‘Wat mij het meest fascineert, zijn de kleine details die een hele wereldvisie onthullen. Een kleine technische clausule of een procedurele beslissing kan laten zien hoe samenlevingen de verhalen beschermen die hen bijeenhouden.
Een perfect voorbeeld hiervan is de vergadering van het gemeentebestuur in het stadhuis van Amsterdam in 1972. Op papier was het een heel praktische onderhandeling over de wegrechten van de Witkar en de vraag of deze kleine elektrische voertuigen volgens de wet de weg op mochten. In de praktijk werd het een confrontatie tussen twee onverenigbare realiteiten. De politie en de RDW beriepen zich op het onlangs herziene artikel 66 van de Nederlandse verkeerswet, een regel die toen nog maar een paar weken oud was en die definieerde wat onder de noemer auto viel. Ze hielden vol dat de beperkte snelheid van de Witkar, ongeveer 20 km/u, hem onveilig maakte en onverenigbaar met ‘de vrije doorstroming van het verkeer’. De Witkar-coöperatie betoogde het tegenovergestelde: dat de straten van de stad al verstopt waren door files en dat geen enkele auto die snelheid dus toch al niet kon halen.
Wat dit moment zo rijk maakt, is dat beide partijen ruzie maakten over “verkeer”, maar dat slechts één partij het over de materiële realiteit had. De politie beriep zich op een ingebeelde orde, de auto als een voertuig van vrijheid, snelheid en autonomie, een ideaal dat in het Amsterdam van de jaren zeventig al onmogelijk was. Ze verdedigden niet de infrastructuur zoals die bestond, maar de infrastructuur zoals die zou moeten bestaan.
Hier veranderde de confrontatie: de Witkar werd nu opgenomen in het systeem van regelgeving. Wat begon als een alternatief voor de auto, werd behandeld als een afwijking die moest worden aangepast. Via ogenschijnlijk neutrale eisen – zoals kentekenplaten, verzekeringen en technische normen – werd de Witkar langzaam omgevormd tot iets wat binnen het bestaande systeem paste, waardoor juist die kwetsbaarheid en afwijking die zichtbaar gemaakt had moeten worden, werd geneutraliseerd.'
‘Een uitdaging was het loslaten van bepaalde interpretatieve gewoontes, met name de neiging om alles in termen van succes of mislukking te kaderen. Ik ben opgeleid in een kritische traditie die culturele fenomenen vaak als utopisch of gedoemd interpreteert. Maar die lens kan het verhaal plat maken. De echte vraag is niet of het werkte, maar wat de behandeling ervan onthult over hoe samenlevingen omgaan met verandering. Ik heb moeten leren om geduldiger te kijken: technologieën niet als oplossingen of mislukkingen te zien, maar als arena's waar ideeën over de toekomst worden betwist.’
‘Ik heb altijd al het talent gehad om door uiterlijkheden heen te kijken. Mijn vader is goochelaar en ik heb een groot deel van mijn jeugd achter de schermen doorgebracht, waar ik rekwisieten klaarzette en voor mijn ogen illusies zag ontstaan. Door al op jonge leeftijd te zien hoe dingen worden gecreëerd en gepresenteerd, heb ik een levenslang instinct ontwikkeld om het voor de hand liggende in twijfel te trekken.’