‘Ik weet wanneer iets goed genoeg is, en dat is een handige karaktereigenschap bij het doen van historisch onderzoek, waarbij altijd méér bronnen te vinden zijn.’
23 februari 2026
‘Ik onderzoek hoe de Nederlandse overheden, bedrijven en het maatschappelijk middenveld in de twintigste eeuw – als reactie op de milieuproblemen die ontstonden na de opkomst van de consumptiemaatschappij – geprobeerd hebben de groeiende berg huishoudelijk afval onder controle te krijgen.
Dit onderzoek ik aan de hand van drie subonderwerpen, die overeenkomen met drie afvalverwerkingsstrategieën: Refuse, Reuse en Recycle. Door per casestudy één van deze R’en als uitgangspunt te nemen, wordt duidelijk hoe consumenten werden aangemoedigd om te kiezen voor glazen melkflessen in plaats van kartonnen melkverpakkingen; hoe de opkomst van kringloopwinkels het hergebruik van afvalmaterialen stimuleerde; en hoe de debatten rond de recycling van groente-, fruit- en tuinafval zich ontvouwden. Hiermee hoop ik een beeld te kunnen schetsen van de omgang met huishoudelijk afval in Nederland, waarin onderwerpen zoals gender en de gebruikte materialen een belangrijke rol speelden.’
‘Tijdens mijn bachelor geschiedenis aan de UvA raakte ik geïnteresseerd in consumptiegeschiedenis. Later, tijdens mijn onderzoeksmaster geschiedenis (ook aan de UvA), kwam hier de interesse voor milieugeschiedenis bij. De combinatie van deze twee vakgebieden bracht mij al snel bij het onderwerp afval, omdat hier de onlosmakelijk met elkaar verbonden onderwerpen consumptie en milieu samenkomen.
In mijn onderzoeksvraag heb ik het milieu centraal gesteld omdat ik geïnteresseerd ben in hoe het milieu, en de zorgen daarover, onze blik op het onderwerp afval hebben beïnvloed. Men ging op zoek naar wat “het beste was voor het milieu”, een vraag waar vanuit verschillende perspectieven andere antwoorden op kwamen, met discussie en wrijving tot gevolg. Ik ben geïnteresseerd in waar en waarom die wrijving plaatsvond, en ook: tussen wie. Door de drie “sectoren” overheid, bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld centraal te stellen, hoop ik inzicht te krijgen in de onderlinge wisselwerking: werkten ze elkaar tegen, of trokken ze juist samen op?’
Afval is vandaag de dag nog steeds een thema waar van alles wordt uitgeprobeerd, terwijl de gevolgen van tevoren niet altijd te overzien zijn.
‘Huishoudelijk afval is als thema binnen de Nederlandse context nog niet veel onderzocht. Met mijn onderzoek hoop ik inzicht te kunnen geven in de pogingen die gedaan zijn om de afvalberg te verminderen, en ook waarom die pogingen misschien niet altijd geslaagd zijn. Afval is vandaag de dag nog steeds een thema waar van alles wordt uitgeprobeerd, terwijl de gevolgen van tevoren niet altijd te overzien zijn. Denk bijvoorbeeld aan het ingevoerde statiegeld op blikjes. Sindsdien worden overal op straat prullenbakken opengemaakt en leeggehaald door mensen die op zoek gaan naar die blikjes om het statiegeld te kunnen cashen, een probleem dat men probeert op te lossen door bijvoorbeeld speciale rekken voor blikjes aan de prullenbakken te hangen.
Dergelijke wijzigingen brengen ook vaak discussie met zich mee: mensen klagen over boodschappentassen die vies worden omdat de blikjes lekken, omdat er te weinig inleverpunten zijn of omdat de automaten vaak stuk zijn. Ook verder terug in de tijd zijn er tal van voorbeelden en veranderingen die dergelijke discussies met zich mee brachten, daar ben ik in geïnteresseerd en hoop ik meer over te leren.’
Het moment dat je nog niet weet wat je gaat vinden en elke bladzijde die je omslaat eigenlijk weer een verrassing is en nieuwe inzichten kan bieden.
‘Mijn onderzoek zal voornamelijk een individueel project zijn, waarin ik geweldig begeleid word door mijn twee promotoren Peter van Dam en Tim Verlaan. Hoe verder het onderzoek vordert, hoe meer ik hoop mijn bevindingen te kunnen delen en mijn netwerk te verbreden, zo mag ik aankomende zomer over mijn onderzoek vertellen op een conferentie over recycling georganiseerd door de Technische Universiteit in Berlijn. Ook daarom vind ik het ontzettend goed dat SEVEN een podium geeft om het werk van jonge onderzoekers te delen met een groter publiek.’
‘Mijn hart ligt wel echt bij het doen van archiefonderzoek. Het moment dat je nog niet weet wat je gaat vinden en elke bladzijde die je omslaat eigenlijk weer een verrassing is en nieuwe inzichten kan bieden. Maar ook het ordenen van die bevindingen uit een grote hoeveelheid archiefstukken om daar een goed lopend verhaal van te kunnen maken, geeft mij altijd veel plezier.'
Waar ik ontzettend blij mee ben, is het feit dat ik goed overzicht kan behouden.
‘Herschrijven vind ik altijd een uitdagende fase: je hebt al een tekst staan en die probeer je te verbeteren aan de hand van nieuwe bronnen die je hebt gevonden of nieuwe thema’s die je wilt toevoegen. Ik zie het als een puzzel waarbij je hoopt dat bepaalde stukjes uiteindelijk op hun plek vallen.
Wat daarnaast in het schrijven van dit hoofdstuk een obstakel vormde, is dat veel archieven van bedrijven niet bijgehouden of toegankelijk zijn. Vaak zijn bedrijven in de loop der tijd gefuseerd met andere bedrijven of onder een andere naam verdergegaan. Als historicus hoop je dat zo’n bedrijf op zijn minst zijn voorgangers kent en in het beste geval materiaal bewaard heeft uit die tijd, maar ik ontdek dat dit meestal niet het geval blijkt te zijn. Dan ben je als onderzoeker afhankelijk van materiaal dat wellicht in andere archieven is ondergebracht of van krantenartikelen waarin deze bedrijven zijn vermeld.’
‘Waar ik ontzettend blij mee ben, is het feit dat ik goed overzicht kan behouden. Dit helpt me zowel in praktische zin, bijvoorbeeld door haalbare planningen te maken, goed te weten wat er nog moet gebeuren en overzicht te houden in documentatie van bronnen en aantekeningen. Ook inhoudelijk helpt het me, doordat ik door overzicht te behouden makkelijk dwarsverbanden kan leggen tussen verschillende onderwerpen of historische ontwikkelingen.
Verder omschreef een van mijn promotoren mij eens als “niet té perfectionistisch”: Ik weet wanneer iets goed genoeg is, en dat is een handige karaktereigenschap bij het doen van historisch onderzoek, waarbij altijd méér bronnen te vinden zijn, méér literatuur te lezen is en méér informatie op te schrijven. Weten wanneer iets goed genoeg is, helpt om hier niet eindeloos in te vervallen.’
‘Voor het tweede deel van mijn onderzoek, dat zich richt op hoe de opkomst van kringloopwinkels het hergebruik van afvalmaterialen bevorderde, hoop ik gebruik te kunnen maken van oral history. Dat is voor mij een geheel nieuwe onderzoeksmethode, waar ik me hoop in te verdiepen en meer over te leren.
Hoewel we vandaag de dag kringloopwinkels misschien niet direct associëren met afval, bleek uit mijn vooronderzoek dat de eerste kringloopwinkels die in de jaren tachtig in Nederland ontstonden, zich bezighielden met het inzamelen en hergebruiken van afval. Omdat er weinig kringloopwinkels zijn die een eigen archief hebben bijgehouden en ik niet alleen afhankelijk wil zijn van bronnen als krantenartikelen, heb ik de hoop dat ik mensen kan vinden die destijds betrokken waren bij de opkomst van deze kringloopwinkels en mij meer kunnen vertellen over deze geschiedenis.’
‘Hoewel ik dus nog niet helemaal thuis ben in de wereld van oral history, moet ik bij deze vraag toch direct denken aan de onlangs overleden Selma Leydesdorff, emeritus hoogleraar Mondelinge Geschiedenis en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam en grondlegger van het vakgebied oral history. Zoals in haar memoriam wordt geschreven, zag Selma “in de mondelinge geschiedenis een unieke mogelijkheid om wat verdrongen, vergeten of onuitspreekbaar was, toch een stem te geven.” Met deze overtuiging heeft ze een nieuw soort geschiedschrijving teweeg gebracht, die vandaag de dag niet alleen de academische wereld maar ook daarbuiten een vaste plaats heeft. Ik kan dan ook niet wachten om me meer in oral history te gaan verdiepen.’
Sommige mensen in mijn omgeving vinden het onbegrijpelijk dat ik naast mijn werk nog tijd en energie heb voor een PhD, maar ik krijg er meestal alleen maar nieuwe energie van.
‘Ik weet van mezelf dat het voor mij het beste werkt als ik niet te veel bezig ben met wat hierna komt. Omdat ik pas begonnen ben en mijn onderzoek als buitenpromovendus combineer met mijn reguliere baan als projectmedewerker Onderzoek & Erfgoed bij het Nederlands Instituut voor Beeld & Geluid, is dat “hierna” ook nog wel ver weg – nog zo’n vijf jaar. Mijn promotoren helpen me wel goed om mijn opties open te houden door me bijvoorbeeld te adviseren niet in het Nederlands maar het Engels te schrijven en zo een breder publiek te bereiken, of door mee te denken over manieren om in de komende jaren mijn werk te presenteren. Mocht ik verder willen binnen de academische wereld, dan is het goed om die ervaringen op te doen.
Verder vind ik het vooral belangrijk om te blijven genieten van de komende jaren. Sommige mensen in mijn omgeving vinden het onbegrijpelijk dat ik naast mijn werk nog tijd en energie heb voor een PhD, maar ik krijg er meestal alleen maar nieuwe energie van. De toekomst laat ik voorlopig open; eerst nog een paar jaar duiken in archieven, verhalen verzamelen en ontdekken wat onze geschiedenis over afval ons vandaag te vertellen heeft.’